Zondag 25 april 2021, ds. J. van de Meent

Schriftlezingen: Jeremia 32: 36-41

Openbaring 5: 6-14 en Lucas 24: 35-48

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters in de Heer.
Op Paasmorgen werden we deelgenoot gemaakt van de ontstellende ontdekking, dat het graf waarin Jezus was gelegd, leeg was.
Vandaag worden we door Lucas reisgenoot gemaakt van de leerlingen van Jezus. Ze zijn met elkaar in gesprek over de wijze waarop Jezus zich in het voorgaande verhaal, het verhaal van de twee Emmaüsgangers, kenbaar had gemaakt, door het breken van het brood. In woord en sacrament toont de opgestane Heer zijn aanwezigheid.

Ik ben gezonden om aan gevangenen vrijlating te verkondigen

Telkens wanneer de Bijbel wordt geopend en gelezen en het brood wordt gebroken, voegt Hij zich bij de zijnen. We kunnen die aanwezigheid niet afdwingen, maar er wel voor bidden. Het gebed om de verlichting met de Heilige Geest, voorafgaand aan Bijbellezing en overdenking, helpt ons, om ons voor te bereiden op Zijn komst.

Ongelofelijk, maar waar. De leerlingen van Jezus zijn er samen over in gesprek. Al wandelend in Jeruzalem. Een leeg graf en toch aanwezig. Niet dood, maar levend. Jezus voegt zich bij zijn leerlingen en zegent hen. Verbijstering en angst maken zich van hen meester. Dat kan toch niet. Ze houden het op een geest die zich aan hen vertoont.

Eigenlijk een begrijpelijke reactie. Alles wat ons begrip- en voorstellingsvermogen te boven gaat, proberen we te vangen in beelden of definities. Zo proberen we vat te krijgen op onze werkelijkheid. Een bedenksel van onze geest: een spook!

Maar dat is niet het geval en evenmin is er sprake van een persoonsverwisseling. De gekruisigde Jezus is de opgestane Heer. Jezus toont zijn handen en voeten. Raak me maar aan. Ik ben het, jullie vriend. En je hoeft niet bang te zijn of je over te geven aan twijfel.

De Duitse godsdienstgeleerde Rudolph Otto definieert godsdienst als  iets dat schrik aanjaagt en fascineert, het mysterie van het tremendum et fascinans. Zo moeten de leerlingen dat ook hebben ervaren in de ontmoeting met Jezus. Angst en vreugde strijden om voorrang. Maar ze kunnen het niet geloven.

Geloven wij het wel? Hebben wij, als het erop aankomt, ook niet meer verbinding met het lege graf, dan met de opgestane Heer? Houden we er echt rekening mee dat onze Heer zich vanmorgen met ons verbonden heeft, hier in de kerk of thuis, voelbaar en ervaarbaar? Of vinden we dat maar onzin, omdat het niet waar kan zijn. Een dode die weer levend is. Niet als een psychologisch verschijnsel, maar in werkelijkheid. Echt!

De Sloveense socioloog, psychoanalyticus en filosoof Sisjek verdedigt de stelling dat het orthodoxe christendom een fundamenteel idee van de mogelijkheid van radicale vernieuwing in zich draagt. Het geloof in de opstanding uit de dood van Jezus is, volgens hem, in religieuze termen het meest krachtige idee van wedergeboorte en vernieuwing. De mogelijkheid van een radicale opening in de geschiedenis. Wie dit voor waar kan houden, kan geloven in een wereld die niet aan zichzelf is overgeleverd, maar toekomst heeft. We zijn niet geboren om te sterven, maar om betekenis te geven aan ons leven, door mee te werken aan een betere wereld, in het perspectief van het koninkrijk van God, het nieuwe Jeruzalem.

Wie de geschiedenis van Israël en van de kerk vanuit dit perspectief beziet, komt tot verrassende inzichten. Die gaat oog krijgen voor de grote daden van God, aan Israël bewezen, en voor de bijzondere weg die God gegaan is en gaat met de kerk. In een tijd van ontkerkelijking en geloofsverlegenheid lijken we het zicht hierop een beetje te hebben verloren.

Velen vragen zich in deze tijd van corona, dan ook af, of het nog wel goed komt met de kerk. Zal er postcorona nog wel iets van het gemeenteleven overgebleven zijn? Eigenlijk bekommeren we ons meer om wat de kerk niet meer is, dan wat er nog wel is. Zoals de dagelijkse wonderen die mensen ervaren van Gods bemoeienis met ons.    

Jezus vraagt zijn leerlingen Hem eten te geven en ze geven Hem een stuk vis. De opgestane Heer is geen geest, maar een mens van vlees en bloed. Aanraakbaar en aanspreekbaar. Maar er is ook verschil.

“Toen Ik nog bij jullie was”, zegt Jezus. Kruisdood en opstanding markeren een nieuwe werkelijkheid. Jezus komt terug op woorden die Hij eertijds had gesproken tot zijn leerlingen. Ze hadden het niet begrepen wat Hij hun had gezegd over zijn lijden en sterven. En over zijn opstanding uit de dood.  Terwijl Wet, Profeten en Psalmen daarvan getuigden. Ze waren ziende blind en horende doof voor de woorden die Jezus tot hen gesproken had.

Nu ontsluit Jezus hun verstand en maakt Hij hen ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften. Een onthutsend inzicht met vergaande gevolgen. Van toeschouwers worden de leerlingen tot uitvoerders verklaard. Jullie zullen daarvan getuigen, houdt Jezus zijn leerlingen voor. Jullie moeten alle volken oproepen tot inkeer te komen. Zo wordt de missie van Jezus overgedragen op zijn leerlingen.

De oproep tot bekering van Johannes de Doper, waarmee het evangelie van Lucas begon, wordt nu de kern van de boodschap van de leerlingen van Jezus. Met Jeruzalem als geografisch midden. Waar de weg van Jezus gericht was op het eindpunt Jeruzalem, wordt de stad nu het beginpunt van een wereldwijde beweging, waarbinnen ook de kerk een plaats heeft gekregen.

In de synagoge van Nazareth had Jezus, aan het begin van zijn openbare optreden, zijn missie onder woorden gebracht: “Ik ben gezonden om aan gevangenen vrijlating te verkondigen”. Zo is het Israël vergaan en zo zullen ook de volken worden betrokken in Gods bevrijding en redding. In de zegen over Israël, waarover Jeremia spreekt, worden nu ook de volkeren betrokken. Gods geliefde stad en woonplaats, Jeruzalem, wordt nu door God in dienst genomen van zijn werk in en aan deze wereld. En dit alles vanwege de passie van Jezus voor ons.

Op bijzondere wijze onder woorden gebracht door de ziener Johannes in het beeld van het Lam, een bokje dat aan de kudde vooruitgaat, Een belhamel die zich onderscheidt van de andere schapen. Met een keelwond aan zijn hals, waaruit bloed vloeit. Zoals een schaap dat op rituele wijze wordt geslacht.

Het beeld waarvan Johannes ons getuige maakt, is met bloed besmeurd. Het is een beeld waarmee we maar moeilijk uit de voeten kunnen. Maar de boekrol waarvan het Lam de sloten opent, bevat de lotgevallen van een mensengeschiedenis. De boekrol toont een wereld zoals deze ook vandaag nog aan ons verschijnt. Een wereld die gebukt gaat onder een pandemie, met vrijwel onoplosbare milieu- en klimaatproblemen, met miljoenen mensen op de vlucht; een wereld waarin mensen met verdriet, ziekte en dood worden geconfronteerd.

Dat is de wereld waarmee God zich heeft verbonden. In het gekeelde bokje is de lijdende mensheid begrepen, een wereld waarin mensen elkaar de meest verschrikkelijke dingen aandoen en gevangen zitten in hun eigen kwaad. Daarom wordt een nieuw lied aangeheven, wanneer het Lam de boekrol opent en dit alles zichtbaar wordt. Het lied van de goede schepping, dat nieuw licht werpt op een duistere wereld.

Want het gaat in dat lied niet alleen om het Lam, maar ook om ons. Benoemd tot koningen en priesters. Het lied bezingt de Messias en zijn gemeente. Een Paaslied op de verrijzenis van een gekruisigde, wiens geschonden lichaam en vernederde mensenleven, gaat stralen in een zee van licht.

Wie zich dit lied kan eigen maken en gaat toepassen op zijn of haar eigen leven, mag zich gezonden weten lichtdrager te zijn, in het voetspoor van Jezus.

Glorie aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest. Amen