Kerst 2019, Bloemendaal

 

Hieronder leest u de preek van 1e Kerstdag

Voor de preek van Kerstnacht klikt u hier

 

Ezechiel 16 : 4 – 14 en Lukas 2

 

‘Een bedrijf dat stelt op de wereld te zijn om geld te verdienen, heeft volgens Paul Polman geen bestaansrecht.’ In Het grote gevecht beschrijft Jeroen Smit hoe CEO Paul Polman tegen de klippen op van Unilever een waarden-gedreven organisatie probeert te maken. Een bedrijf dat een rol van betekenis moet spelen in de samenleving zowel op het gebied van duurzaamheid als ook ten aanzien van sociale rechtvaardigheid. Polman wil van die money-driven manier van werken af en wil daarin zelf het goede voorbeeld geven. Maar de commissarissen zijn boos als hij voor de zesde keer de voorgestelde salarisverhoging weigert. Het succes van een CEO zou worden weerspiegeld door zijn loonontwikkeling, zo wordt alom beweerd. Als Polman hierop wordt bevraagd zegt hij in The Washington Post: ‘Ik schaam me voor wat ik verdien. Ik zou het voor niks doen. Mensen op ons niveau zouden zich niet moeten laten motiveren door hun salaris. Meer geld verandert niks aan wat ik doe. Ik probeer dingen voor dit bedrijf te doen die goed zijn voor de lange termijn…’ Commissaris Ann Fudge valt van haar stoel als ze dit interview leest. Ze wijst Polman op zijn onverantwoordelijke gedrag, dit is niet goed voor Unilever. Hij belooft haar dat het niet nog een keer zal gebeuren…

Welke zaken geven wij voorrang in ons leven? Dat is de vraag die we uit de Kerstnacht hebben meegenomen naar de Kerstochtend. In het oerverhaal van Kerst ontdekten we twee manieren van leven die in dit verhaal tegenover elkaar worden gezet. Aan de ene kant is dat het spierballenleven van Keizer Augustus en aan de andere kant is dat het kwetsbare leven van twee onbeduidende mensen, waarvan de een hoogzwanger is en op zoek is naar een schuilplaats voor haar kind.

Het verhaal zet in met die spierballen. De keizer wil weten hoe machtig en succesvol hij is. En dan ga je tellen. Hoeveel inwoners heb ik eigenlijk in mijn rijk wonen? Hoe ziet mijn salarisontwikkeling eruit? Hoeveel zaken kan ik al van mijn bucketlist afvinken? In welk lijstje kom ik eigenlijk voor? Voldoet mijn CV nog steeds? Hoe staat het met je KPI’s? Heb ik nog wel een spannend verhaal te vertellen? Ben ik nog wel in trek?

Psychiater Dirk de Wachter schrijft in zijn laatste boek De kunst van het ongelukkig zijn: ‘Mijn praktijk zit vol met succesrijke mensen die voor twee hebben geleefd, in de overtuiging dat je alles uit je bestaan moet halen. Ze zitten tegenover me en kunnen niet meer. Ze barsten in tranen uit’. Hij schetst deze tijd als een tijd in de ban van prestatiedruk. Hij merkt op dat één op de vijf studenten in het hoger onderwijs lijdt aan depressieve klachten omdat ze de druk niet meer aankunnen. Het is het spierballenleven dat ons in de greep heeft. Een eenzaam leven dat wil voldoen aan de verwachtingen van onze ouders of van onze omgeving. Of onder druk staat van de steeds weer nieuwe trends die aan ons worden opgedrongen. Spierballen vragen om andere spierballen die natuurlijk altijd weer groter zijn. En zo laten we ons gek maken.

Maar het mooie is dat in dat oerverhaal van Kerst tegenover die spierballen van de keizer iets komt te staan dat om voorrang vraagt. Iets dat zomaar van bovenaf in het midden van het kwetsbare mensenleven wordt gelegd. En dat is dat kind. Een kind dat wij allemaal zoals we hier zitten ooit zijn geweest. En in de kern allemaal nog steeds zijn. Een hoogst afhankelijk en hulpeloos wezentje dat snakt naar wat liefde en wat eten. We roepen wel heel hard dat onafhankelijkheid het hoogste goed is, maar in wezen is het een waanidee. Als je een aflevering van Mindfuck hebt gezien, ben je snel van dat idee verlost. Victor Mids laat elke keer weer zien hoe onze keuzes en onze manieren van kijken worden beïnvloed door tal van

externe factoren. Maar wat veel dieper reikt is de gedachte dat een mens pas werkelijk mens wordt in de ontmoeting met een ander mens. En dan niet een spierballen-ontmoeting maar een ontmoeting waarin je eerlijk kan zijn en kwetsbaar. We delen onze ongelukkigheden veel te weinig met elkaar, zo stelt Dirk de Wachter. Naar buiten toe gedragen we ons als stoere, autonome mensen maar ver in ons weggestopt zit dat hulpeloze kind met zijn vragen, zijn onzekerheden, zijn gemis, zijn geheimen en zijn verdriet.

Dat kwetsbare kind wordt in de Kerstnacht in doeken gewikkeld. Het is een detail dat Lukas heeft ontleend aan de profeet Ezechiël. We lazen het. Een aangrijpend beeld wordt daar geschetst. Een volk dat de weg totaal kwijt is. Verdwaald is in een spierballen ballingschap. Een samenleving die vergeten is wat er voor nodig is om werkelijk een samenleving te kunnen zijn. Een mens die zijn roeping kwijt is. Zijn verhaal is vergeten. Daar gaat heel dat boek Ezechiël over. En het wordt samengevat in het beeld van een kind dat aan zijn lot is overgelaten. ‘Geen oog heeft zich om je bekommert’, zo staat er. Ten dode opgeschreven. Het is het leven in de benauwdheid. Het leven in Mitsraïm, Egypte. Een leven dat geen leven is. Dat mensje dat daar ligt kan nauwelijks meer ademhalen. Trappelt in zijn eigen bloed. Ongewassen en zo staat er: niet in doeken gewikkeld. Kwetsbaarder en hulpelozer kan het niet. Maar dan is daar die stem van de liefde. De stem van één die dat kind ziet. In de gaten heeft. En er niet meer los van komt. Ik kwam aan je voorbij en ik zag je. ‘Ik spreidde de slip van mijn mantel over je uit’, zo staat er. ‘Ik bedekte jouw naaktheid. Ik waste je in water, spoelde het bloed van je af en zalfde je met olie. Je kreeg te eten. Fijn meel, honing en olie at je. Jouw tijd was de tijd voor de liefde’.

En dat is precies wat er in die Kerstnacht ook gebeurt. In die spierballensamenleving op drift geraakt door de keizers, die wij ook allemaal zijn, is daar zomaar dat kind. Niet een vrucht van onze potentie. Niet het resultaat van onze plannetjes en onze maabaarheid. Maar made in heaven. Komend van de andere kant. De grote verrassing van boven. Ja, het doet een dringend beroep op onze verbeeldingskracht. Maar dit kind wil ons herinneren aan de liefde die ons heeft grootgebracht. Aan de liefde waaruit wij werden geboren. Dat we niet bestemd zijn om als slaven hijgend achter onze spierballen aan te rennen, maar dat we terug moeten naar die oorsprong. Terug naar waar het ook al weer om was begonnen. Ons leven, deze wereld, dit samenleven.

Het verhaal van Kerst roept ons op dat kind in ons weer eens op te zoeken en ruimte te geven. Dat hulpeloze wezentje dat vooral snakt naar wat liefde, naar een doek waarmee zijn naaktheid zacht kan worden bedekt. Om zo vandaar uit een beetje medemens te kunnen worden.

Het verhaal van Kerst leidt ons af van die grote spierballenkeizer en zet de spotlights op het kind dat ons weer even tot onze bestemming moet brengen. Een kwetsbaar kind, een zachte kracht trekt in dit verhaal aan het langste eind. En daarmee is het een verhaal van hoop en van opnieuw beginnen. Een verhaal dat verschilmakers geboren doet worden die willen stilstaan bij waar het ook al weer om was begonnen. In je werk, in je huwelijk, je leven alleen of met elkaar. Maar ook in je bedrijf. Mensen zoals Paul Polman, maar ook die oncologisch verpleegkundige die nu bij een sterfbed zit. Of die fysiotherapeut die net even iets langer doorvraagt om erachter te komen hoe het met je gaat.

‘Vrees niet!’, zegt dat kind later in het verhaal. Als het tegenzit en de golven over je heen spoelen. ‘Vrees niet! En houd moed. Ik ben bij je’.

Jules Deelder schreef het in zo’n simpel en kwetsbaar gedichtje voor zijn dochtertje Ari. Ik wil er graag mee eindigen.

Lieve Ari Wees niet bang
De wereld is rond en dat istie al lang

De mensen zijn goed
De mensen zijn slecht

Maar ze gaan allen
dezelfde weg

Hoe langer je leeft
hoe korter het duurt

Je komt uit het water
en gaat door het vuur

Daarom lieve Ari
Wees niet bang

De wereld draait rond
en dat doettie nog lang

 

Amen