Preek van de week

Pasen, Bloemendaal Dorpskerk 2018

Exodus 14 en Johannes 20

In de roman ‘Het Hout’ van Jeroen Brouwers begon Elbert Haman gewoon als een leraar Duits op een jongensinternaat, geleid door kloosterlingen. Elke dag fietste hij van huis daarnaartoe om les te geven. Maar na enige tijd werd hem door de Abt gevraagd of hij niet in het klooster wilde komen wonen. Het lag voor de hand. Elbert had toch verder bijna niemand. Eerst verbleef hij in het gastenverblijf om wat te wennen, maar al snel werd hij ingelijfd in de orde. Hij leverde niet alleen zijn fiets maar ook zijn naam in en ging verder als Bonaventura door het leven. Voortaan ging hij gekleed in een bruin habijt. Maar hoe langer hij daar zit, hoe benauwder het hem wordt. In dat klooster is van alles mis. Er zijn tal van spanningen tussen de broeders en dagelijks moet hij onder ogen zien hoe jonge jongens seksueel worden misbruikt. Zijn enige uitlaatklep is collega Theo die niet is ingelijfd in het klooster. Theo rijdt, net als Eldert vroeger, elke dag heen en weer op zijn fiets. Als hij met hem over zijn benauwdheid en gevoel van medeplichtigheid wijst Theo hem de deur waardoor hij naar buiten kan gaan. Theo zegt: ‘Trek die flauwekul toch van je lijf en ga!’ Je kan zo de hoofdpoort door. Rechtsaf. Rechtdoor. Heel simpel: je loopt naar die deur en je gaat.’ Elbert weet het. Hij weet hoe simpel het kan zijn. Maar hij doet het niet. Hij gaat niet door die door. Het duurt eindeloos voordat hij zichzelf uit die gevangenis van het klooster kan bevrijden. Hij is één stap verwijderd van zijn bevrijding, maar hij gaat niet.

 

Zo ook in dat oerverhaal van Pasen. Het duurt eindeloos voordat het geknechte volk de benauwdheid van Egypte verlaat. De Farao laat hen niet zomaar gaan, maar ook het volk zelf is traag. Wat staat ons daar buiten Egypte niet te wachten? Ze weten het niet. Ze zijn vertrouwd met de benauwdheid, en weten niet hoe het is om daarbuiten te verkeren.

Vandaag gaan ze. De weg die ze gaan ligt niet op de kaart. Het is een volstrekt onlogische omweg. Uittocht heeft blijkbaar tijd nodig en duur. De graankorrel moet eerst de aarde in, zegt Jezus ergens. Het is een oefening in geduld en een oefening in het overwinnen van de angst. Niet voor niets duurt de Matthäuspassion ook zo lang. Het is een hele zit. Maar het is niet alleen een lange weg, het blijkt ook nog eens een onmogelijke weg. Ze worden op een doodlopend spoor gezet. Een weg die uitloopt op de zee. In heel de bijbel metafoor voor dood en ondergang. En achter hen aan komt Egypte. Ander woord voor de benauwdheid, het keurslijf waaruit ze net zijn uitgetrokken. De benauwdheid zit hen op de hielen. Klem zitten ze. Ze kunnen geen kant meer op. En het enige wat ze nog willen is: terug! Ze roepen het uit:

 Zijn er soms geen graven genoeg in Egypte,

dat je ons hebt meegenomen om te sterven in de woestijn?

Hoe begrijpelijk. Liever een keurslijf dan sterven in de droogte. Better the devil you know than the devil you do’nt. Maar dan. Dan komt het erop aan, als je klem zit. Met welk verhaal leef je?  Laat je je leiden door de angst of door het vertrouwen dat er ondanks alles een weg is om te gaan? Dat is nu precies waar Pasen over gaat. Dat je verder leert denken dan de concrete context waarin je zit. Maar hoe je dat? Mozes zegt:

 Stel je op en zie de bevrijding van JHWH

die hij jullie doen zal vandaag nog…

 Het is wat de joodse filosoof Walter Benjamin de Blick der Erlösung noemt. Bevrijding als bril. Een bril die je dingen doet zien die tegengesteld zijn aan waarin je zit. Het is de hoop op dat het anders kan. Dat er midden in de nood een weg is om te gaan. Je weet: het kan niet. En toch het kan.

Dan gebeurt het. Ineens is daar een engel Gods. Een engel, een onvoorspelbaar niet te denken gebeuren. Ineens verandert de situatie en verplaatst de wolkkolom die hen voorging naar achteren. Het zet zich tussen het bevrijde volk en de benauwdheid van Egypte in. Als ze omkijken zien ze Egypte niet meer, maar zien ze licht. En voor hen uit is daar die weg door de chaoswateren heen. De wateren die in de bijbel eindeloos op de loer liggen om het menselijk leven kapot te maken worden door de adem Gods opzij geblazen. Ze worden tot een nederige erehaag. En Egypte, de benauwdheid? De benauwdheid moet vluchten. De doodsheid van het bestaan legt het loodje en ligt letterlijk dood op de oever. Het is de wereld op zijn kop. Het is dat Mozes hen voorging anders hadden we het nooit gered. Zo verzucht het volk.

En dat is precies waar dit verhaal voor is opgetekend. Dit verhaal zegt: Laat je niet aanpraten dat iets niet kan! Kijk uit voor berusting! Weet: er is altijd een weg! Ook als jij er geen meer ziet. Het is een verhaal dat ons de moed geeft om uit de patstelling van ons leven te stappen. Hoe vaak wordt ook in vergaderingen niet een mooi plan van tafel geveegd omdat het niet zou kunnen? Hoe vaak worden mensen weer teruggeduwd in hun stoel om de situatie waarin ze zitten maar te accepteren? Hoezo elf asielzoekerscentra sluiten als je weet dat er tienduizenden vluchtelingen geen kant uitkunnen? Kunnen we in Europa echt niet de creativiteit op brengen om mensen die echt op de vlucht zijn een veilige plek te bieden? Of in de discussie over ouder worden en het gebrek aan zin: hoezo ben je te oud om nog een rol te spelen in deze samenleving?

Echte veranderingen hebben blijkbaar mensen als Mozes nodig. Mensen die iets zien wat helemaal niet te zien is. Een verhaal dat niet lamlegt maar creativiteit oproept. Daarom dit verhaal, elke zondag hier in de kerk. Een verhaal dat wijst op een uitweg. ‘Kijk nou’, zegt die collega Theo tegen Elbert Haman. ‘Daar is een deur. Duw hem maar open. Het kan. Je bent er vaker doorheen gegaan.’

Pasen is in die zin een verontrustend feest. Het spreekt daar waar het leven klem zit. Geen kant meer uit kan. Waar je geneigd bent om te berusten. We horen het door heel de bijbel heen. Het verhaal van Ester, het verhaal van Job, het verhaal van Jona in de vis en Saulus in de gevangenis. Allemaal mensen die klem zitten. En ineens is daar die deur die hen geopend wordt. En komen ze in beweging om wegen te gaan waar geen wegen gaan. Mensen die vervolgens anderen tot een Mozes worden. Tot een bevrijder. Om anderen te wijzen op de deur van de uittocht.

Daar ineens is er een stem. Zomaar op een kerkhof waar onze doden begraven liggen. Een stem die aan ons vraagt: ‘waarom ween je?’ Een stem die weet wie ik ben en mij noemt bij mijn naam. Een mens die de doodsheid van zich heeft afgeschud spreekt mij aan en wijst mij op het nieuwe begin dat ik kan maken. Ineens is daar een weg door de zee. Onmogelijk natuurlijk. Niet te geloven. En toch is dat Pasen. Ida Gerhardt dicht:

Eén Rembrandt kende als kind ik goed:
de Christus met de grote hoed
wandelend in de ochtendstond.
En, naar erbij geschreven stond:
Hij was een hovenier.

En nòg laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan,
en – wat terzijde – in stille schrik
die éne, zij die dacht als ik:
Het was de hovenier.

O kinderdroom van groen en goud –
géén die ontnam wat ik behoud.
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.

Hij is de hovenier.

 

Ad van Nieuwpoort