Zondag 11 juli 2021, ds. J. van de Meent

Schriftlezingen: Johannes 9: 1-9

1 Korintiërs 4: 6-13

 

Gemeente van onze Heer, Jezus Christus, en allen die met ons verbonden zijn!

De eerste keer dat ik bewust iemand ontmoette die blind was, was in mijn studententijd. Een jaargenoot. Hij was weliswaar niet blind geboren, maar wel vanaf zijn geboorte blind. Met hulp van zijn medestudenten, omdat studieboeken nu eenmaal niet in braille worden uitgegeven, was hij prima in staat de theologische studie succesvol af te ronden. Ook was hij vaardig op de piano en vaak gangmaker in gezelschappen. Later zou hij ook nog doof worden. Dit verhinderde hem niet om in de assemblee van de Verenigde Naties in New York de rechten te verdedigen van mensen met een beperking. De mogelijkheden om zich te ontwikkelen, die hij zelf had gekregen, moeten vele mensen met een beperking immers ontberen. Maatschappelijke uitsluiting is voor hen toch vaker regel, dan uitzondering. En daarvoor hoef je niet blind te zijn om dat te zien. Dat was in de Bijbelse tijd niet anders. Het verhaal van de blindgeborene is daarvan een voorbeeld.  

Zolang het dag is, moeten wij het werk doen van Hem die mij gezonden heeft

Het verhaal speelt zich vermoedelijk af bij de toegangspoort van het tempelcomplex in Jeruzalem. In ieder geval in de onmiddellijke omgeving daarvan. Daar in de tempel had Jezus moeilijke momenten doorgemaakt. In gesprek met het Joodse gezag was het bijna tot een vervaarlijk handgemeen gekomen. Men had de stenen al in de hand genomen om Jezus te stenigen. Jezus was er behandeld als een misdadiger, als het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid. Een beeld dat Paulus in zijn brief aan de Korintiërs oppakt en toepast op zijn eigen leven. Het is alsof Paulus daarmee zeggen wil: zo is het Jezus vergaan en zo vergaat het mij ook. Maar hoe staat het nu met jullie?

In het voorbijgaan zag Jezus een man die vanaf zijn geboorte blind was. Zijn armoede en ellende, ziet Hij. Ondanks de problemen waarin Hij zelf terecht was gekomen. Of zou Jezus juist daardoor in de problemen gekomen zijn. Betekent het kiezen voor wat verloren is, dat wil zeggen, wat geen kansen heeft, niet als vanzelf een conflict met de bestaande orde? Het vervolg van het verhaal doet dit wel vermoeden.

In die blinde man, daar langs de kant van de weg, balt zich een complex van vragen samen. Waarom is hij blind? Waarom zit hij daar langs de kant van de weg? Heeft hij geen familie of vrienden? Waarom zorgt er eigenlijk niemand voor hem?

De man is blind geboren, dat wil zeggen, de man is ongeneeslijk blind. Er is geen enkele hoop voor hem om weer ziende te worden. En dus ook geen enkele kans voor hem, om mens te zijn onder de mensen. Zijn blindheid bepaalt zijn plaats, een plaats langs de kant van de weg. Definitief buitengesloten, ook buiten de synagoge. En Jezus ziét dat!

Tegenover het zien van Jezus, staat de vraag van zijn leerlingen. Ook hun is iets opgevallen, namelijk zijn blindzijn. Hoe is dat gekomen, vragen zij zich af? Heeft hijzelf gezondigd of zijn ouders? Zou dat het probleem zijn van de man daar langs de kant van de weg? De man zal ongetwijfeld -conform de opvattingen van zijn tijd- zijn blindzijn hebben leren duiden als gevolg van zonde. Dat zal hem ongetwijfeld zijn aangepraat. Mensen weten dat zo goed, zeker wanneer dit over anderen gaat. Eigen schuld en daarmee uit.

De mogelijkheid dat een kind al voor zijn geboorte zou kunnen zondigen, werd in Rabbijnse kringen van die dagen niet voor onmogelijk gehouden, maar werd zeker niet algemeen gedeeld.

De andere mogelijkheid, dat de ouders schuldig zouden zijn aan de blindgeboorte van hun kind, lijkt daarom het meest reëel. Geboorteafwijkingen bij kinderen werd in die tijd gewoonlijk in verband gebracht met de zonde van de ouders. Er werd een aansporing in gevonden, als echtelieden een zuiver huwelijksleven te lijden.

De rabbijn Jezus wordt uitgenodigd op deze uitgelezen kwestie, nu eens een antwoord te geven. En dit dan, terwijl de man om wie het gaat er nota bene zelf bijzit. Waarschijnlijk in de verwachting dat opnieuw zal worden bevestigd dat het zijn eigen schuld is, dan wel de schuld van zijn ouders, dat hij moet zitten bedelen.

Maar het loopt anders. Het is niet zijn schuld of die van zijn ouders, zegt Jezus. En daarmee wil Jezus het kwaad in de wereld niet toedekken of de zonden van mensen ontkennen. Integendeel. Het behoort juist tot het hart van het evangelie dat Jezus in de wereld gekomen is, vanwege de zonde en het kwaad. Vanwege de zonde en het kwaad wordt in Gods goede schepping aan mensen onrecht gedaan. En dat gaat niet buiten God om. Dat ziet Hij en daar doet Hij wat aan. En daarin gaat Hij verder dan ver, dieper dan diep. Tot in het graf toe, om mensen recht te doen, een kans te geven in het leven. Ondanks de moeilijke omstandigheden, waarin vele mensen moeten leven, vanwege ziekte, gebrek of anderszins.

Immers, dat is toch de kern van het evangelie, de boodschap dat aan mensen recht wordt gedaan en aan mensen kansen worden gegeven. En die boodschap is aan de kerk toevertrouwd, om deze tot klinken te brengen en in haar midden betekenis en uitvoering te geven. Niet dat iemand die blind is of een andere aandoening heeft, daardoor wordt genezen. De kerk heeft daarvoor geen oplossing. Niemand heeft daar een oplossing voor. En toch roept het evangelie ons vanmorgen op, het bij die constatering niet te laten.

Jezus ziet de blindgeborene. En zijn leerlingen zien de man ook. Maar toch zien zij niet hetzelfde. Zij vragen: Rabbi, kenner van de Schriften, leg ons eens uit, waarom die man daar langs de kant van de weg, blind is? Kijken wij anders dan zij? Laten we die vraag nu eens vertalen naar het hier en nu, naar onze eigen leefwereld?

Mama, waarom zit die man in een rolstoel? Wat moet mama antwoorden, niet naar kijken, doorlopen? Of moet mama antwoorden, die man heeft een verkeersongeluk gehad, het was zijn eigen schuld.

Oma, waarom doet dat kind zo raar? Wat moet oma antwoorden? Gelukkig zijn wij gezond en hoeven wij niet te leven met een beperking. Geniet daar maar van. Of moet oma antwoorden, dat kind had beter niet geboren moeten worden. Dan hadden we er ook geen last van.

Opa, waarom zijn er zo veel vluchtelingen? Wat moet opa antwoorden? Niet aan denken, gelukkig hebben wij het goed. Laten we daarvoor dankbaar zijn. Of moet opa antwoorden. De meeste van deze mensen zijn gelukzoekers. Wij moeten ook werken voor ons brood. Zouden zij dat ook doen dan was er geen probleem. Eigen schuld en daarmee uit.

Zijn dit niet onze antwoorden? Ongetwijfeld veel genuanceerder, maar ze sluiten aan bij de antwoorden in Jezus’ dagen. Maar Jezus geeft een totaal ander antwoord. Hij antwoordt: deze man is blind, omdat in hem het werk van God zichtbaar moet worden, aan het licht moet worden gebracht.

Jezus probeert God niet te verontschuldigen, ook niet te rechtvaardigen, ondanks het kwaad en de zonde in de wereld. Jezus actualiseert God juist in de concreetheid van het lijden. God houdt zich daar niet buiten. Hij gaat in de nood in. Tot de weg van het kruis.

Je kunt je afvragen waarom de leerlingen van Jezus op dat moment niet zijn afgehaakt. Waarom zijn ze gebleven bij die man die zichzelf door zijn uitspraken en handelingen, steeds weer opnieuw in de problemen bracht? Was het de roeping van Jezus waaraan ze trouw wilden blijven? Een trouw in goede en kwade dagen? Of was het misschien zo, dat ze door het antwoord van Jezus, plotseling gingen zien wat Hij zag, voorbijgaande aan die man daar langs de kant van de weg?

En meezien betekent als vanzelf ook meedoen. “Zolang het dag is, moeten wij het werk doen van Hem die mij gezonden heeft”, zegt Jezus. “Wij”, niet “Ik”, zoals de Statenvertaling vertaalt, maar jullie en Ik, moeten het werk doen van Hem die mij gezonden heeft. Maar aan het meedoen gaat wel wat vooraf, je moet het eerst zien. En daarvoor lijkt bepalend de plaats die je denkt in te nemen in het leven.

Dat is kijken naar de wereld om je heen door de ogen van de mensen zonder kansen. Eigen schuld of niet. Wij zijn het uitschot van de wereld, zegt Paulus, het uitvaagsel der mensheid. En wie vanuit die positie om zich heen gaat kijken, die gaat het ontdekken, die gaat zien wat Jezus zag, voorbijgaande aan die blindgeboren man, die gaat het zien.

En wat zal dan onze reactie zijn? Niet naar kijken, mond houden en verder gaan met je leven? Of durven we een andere keuze te maken, wanneer ons de ogen geopend worden? We begeven ons dan in een goed gezelschap. Want ook onze Heer is daarin aanwezig. Hij is immers gekomen om het verlorene te zoeken en zo het werk van God te doen.

“In het voorbijgaan zag Jezus een man die vanaf zijn geboorte blind was.” Het verhaal van de genezing van de blindgeborene zou wellicht in de vergetelheid zijn geraakt, wanneer Jezus ons daarin niet zou hebben betrokken. Met het oog daarop heeft de evangelist het opgeschreven, om ons te herinneren aan onze opdracht in het leven. Om te blijven zien wat gezien moet worden en daar naar te handelen. In navolging van Jezus, krijgen wij zo deel aan het werk van God in en aan deze wereld, zolang het dag is.

Glorie aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest. Amen.