Zondag 7 juni 2020, Bloemendaal

Ezechiël 37

 

ik mompel zacht haar naam

we zijn gescheiden

ik ijsbeer door de kamer

met de telefoon zij belt de hele dag

ik was nog net op tijd

maar haar hielden ze tegen

en op de vraag waarom

zei iemand in uniform omdat het niet meer mag

 

ik zie een ambulance

hoor meerdere sirenes

En in de verte het janken

van een door de voorschriften gedoemde hond

Er vaart geen boot meer

En er rijden geen treinen

Vliegtuigen staan doelloos

Als vastgevroren zwanen aan de grond

We zijn te ver gegaan

te ver vooral te vlug

We zijn gevangen

En we mogen niet vooruit

We willen niet opzij

kunnen niet meer terug

We kunnen niet meer terug

verlangen

ik sta voor het raam

kijk naar de kadavers

zwaai overdreven

naar mijn boze buurman aan de overkant

De straat is leeg

De mensen zitten in hun huizen

Er waart al weken

een besmettelijke ziekte door het land

 

We zijn te ver gegaan

te ver vooral te vlug

We zijn gevangen

En we mogen niet vooruit

We willen niet opzij

We kunnen niet meer terug

verlangen

 

En hoewel het lente is

waaien de bladeren van de bomen

er drijft een dode kip in de rivier

was jij maar hier

Maar jij bent daar

En mag hier niet meer komen

 

wij kunnen niet meer aan elkaar

we kunnen niet meer in elkaar

we kunnen niet meer op elkaar

wij kunnen niet meer uit elkaar

we kunnen niet meer met elkaar

wij kunnen niet meer tot elkaar

wij kunnen niet meer van elkaar

wij kunnen niet meer door elkaar

we kunnen nog slechts naar elkaar

verlangen

 

In onze laatste uitzending van Tegengif eindigde Freek de Jonge met dit gedicht. ‘Quarantaine’ heet het. Nota bene geschreven in 2004.

Ook al kunnen we misschien nauwelijks meer lopen. Er gaat iets waaien in ons hoofd en in ons hart.

Het vat precies samen waar wij langzaamaan uit aan het opstaan zijn. In diezelfde uitzending hadden we het over het verdwijnen van het geestelijk leven. ‘We zijn teveel van het geestelijk leven kwijtgeraakt’, zo concludeerde hij. En daarmee bedoelde hij niet de vrome en gelovige praat maar een leven van lezen, vragen stellen en reflecteren. Verbonden zijn met mensen die in de eeuwen voor ons hebben nagedacht over de grote levensvragen. Daarop terug weten te vallen als je het zelf niet meer weet. Stemmen die door de eeuwen heen ons attent hebben gemaakt op waar het om gaat. Maar dat geestelijke leven heeft de afgelopen vijftig a honderd jaar plaats moeten maken voor een volledig materieel leven. Een leven waarin de vragen niet meer worden gesteld maar wij enkel nog doen waarvan wij menen dat het iets oplevert. Want als het niet meteen iets oplevert, heeft het geen zin, geen nut. Vakantie blijkt ook deze dagen weer het hoogste goed. We zijn nog nauwelijks uit de lockdown opgestaan of het centrale thema is of we al dan niet zo snel mogelijk weer een vlucht kunnen boeken. De kerken, theaters en concertzalen mogen het niet meer dan met dertig mensen doen maar de vliegtuigen worden alweer volgepropt. Want consumeren is ons hoogste goed, zo lijkt het.

Daar staat die profeet. In een dal vol dorre beenderen. In een dal vol diepe duisternis. Beeld van uitgeblust leven. Zoals geroepen wordt: ‘Verdord zijn onze beenderen, verloren onze hoop, afgesneden zijn we’. Het is het leven dat totaal losgezongen is van haar bronnen. De ziel is eruit. De inspiratie is weg. Er is alleen nog maar materialiteit. Maar niemand weet meer waarheen het moet gaan. Elke visie ontbreekt. Want we zijn in beslaggenomen door geesten die ons afleiden van waar het om gaat. Daar staat dat dal voor.

En die profeet moet er omheen, zoals bij de intocht men om de ommuurde stad Jericho moest gaan. Hij moet er niet voor weglopen. Hij moet het in zich opnemen. Ervan doordrongen raken. Zoals hij aan het begin van dit profetenboek die boekrol op moest eten. Die boekrol vol jammerklacht. Waar heel de nood van de wereld stond opgetekend.

Maar dan die vraag. ‘Zullen deze beenderen leven?’ Wordt het nog wat? Een onmogelijke vraag natuurlijk. Zo moeten we hem ook verstaan. Wordt het nog wat met ons? Hebben we nog iets geleerd van de afgelopen weken? Iets ontdekt dat we mee willen nemen en niet willen vergeten? Of schudden we het gewoon weer van ons af en pakken we de draad weer op waar we hem hebben losgelaten? Wordt het nog wat met onze wereld?

En de profeet antwoordt heel diplomatiek met: ‘Gij weet het…’ Maar zonder dat hij het misschien in de gaten heeft, zegt hij daarmee wel precies wat het is. Wij weten het niet, maar het wordt wel geweten. Wij zien het niet zo direct maar ergens wordt geweten dat er een nieuwe toekomst in het verschiet ligt. Dat zit besloten in die naam die ons steeds weer wordt aangereikt. Dat geheim van die vier medeklinkers waar wij maar geen vinger achter kunnen krijgen. De naam die door de eeuwen heen van zich laat horen: Ik ben! Ik zal er zijn. Ik ben jouw weg, jouw waarheid, jouw leven. Ondenkbaar geheim. Die weet heeft van opstanding van geestloos leven.

En daarom kan er geprofeteerd worden. Daar voor de poorten van Babel. Daar waar de Baäls, de Mammons en het rendement de dienst uitmaken. Waar cultuur plaats heeft moeten maken voor vrije tijd. Waar niemand meer een vraag stelt. Waar alleen het nut telt. En wij zelf wel uitmaken hoe we willen leven. Het ene liefdeloze ego nog groter dan het andere. Mensen niet meer verbonden maar verdord op zichzelf. Het vereerde individuele leven los van elke gemeenschap. Waar een ieder die anders is moet worden ontvreemd en anders moet opzouten. Dat is Babel. Het ligt dichterbij dan wij voor waar willen hebben.

En Ezechiel profeteert. Dat wil zeggen: hij zegt iets dat hij helemaal niet zeggen kan. Dat niet in onze prognoses past. Dat niet op onze vereerde excelsheetjes te vinden is. ‘Leven!’, zo roept hij. Zoals in den beginne werd geroepen: Licht! En wat zien we: er komt beweging. Er gebeurt iets. Het blijft niet zoals het was. Dat verstarde, dorre, materiele leven komt ineens in beweging. De beenderen zoeken elkaar op. Er komen spieren, er komt vlees. We zien het gebeuren. Als in een droom. Als in een apocalyptische film. En huid spreidde zich over hen heen, zo staat er. Van boven. Die verdorde beenderen, dat levenloze, naakte bestaan wordt van bovenaf bekleed. Zoals een verkeerslachtoffer in dekens wordt gewonden. Een en al barmhartigheid gebeurt hier. Omdat er blijkbaar iemand is die menselijk leven wil. Echt leven. Kwalitatief leven. Leven in liefde. Iemand kan het niet uitstaan dat het doods blijft, kil en verdord. Iemand wil iets anders. En gelooft erin. Een vertrouwen dat nergens elders meer gevonden wordt en daarom maar uit de hemel komen moet.

Maar een ding ontbreekt nog. Dat waar George Floyd om schreeuwde in zijn laatste minuten: adem! Ik heb adem nodig! We vertalen het met ‘Geest’. Geestelijk leven is leven van de adem. Adem maakt het verschil tussen leven of dood. En daarom roept de profeet:

Kom Geest!

En blaas in deze gedoden,

dat ze leven!

En van de vier windrichtingen moet het komen. Heel het universum is erbij betrokken om adem te blazen in geestloze bestaan.

En de geest kwam in hen,

ze leefden

en ze gingen op hun voeten staan…

 

Dat is het effect. We worden op onze benen gezet. Ook al kunnen we misschien nauwelijks meer lopen. Er gaat iets waaien in ons hoofd en in ons hart. Alles wat ons hindert om voluit te leven met elkaar waait weg. Alle doodsheid wordt uitgedreven. En het dal wordt ineens tot ‘adama’, zo staat er in het hebreeuws. En in dat woord ‘adama’ zit het woordje ‘adam’, mens. Adama wil dus zeggen: mensengrond. Levensgrond onder je voeten. Akker vertalen de meesten. Grond waar wat uit kan komen ten leven. Waar het gewone leven kan worden geleefd en geproefd. Heel soms even. Die ene stiekeme zoen in de tuin van het verpleeghuis. Die ene verpleegkundige die even je hand net iets langer vasthoudt. Dat liedje dat je ineens raakt en zorgt dat je even kan huilen. Dat berichtje dat je veel goede moed wenst. Dat kaartje in je bus. Van die kleine dingetjes. Die niets opleveren op de beurs. Waar je geen cent mee kan verdienen. Maar die er wel voor zorgen dat je verdorde bestaan tot leven komt.

‘Dan zullen jullie weten dat ik JHWH ben, die spreekt en die het doet’. Ergens wordt het ware leven gekend en bewaard. Opdat het kan gebeuren, zomaar vandaag hier en nu bij u en bij mij.

Amen