Kerstnachtverhaal 2019

Kerstnachtverhaal 2019   DEEL I ‘Kerstavond 1914. Het is een heldere nacht. De maan verlicht het besneeuwde niemandsland tussen de loopgraven. Het Britse High Command maakt zich zorgen en stuurt een bericht naar het front: “Het zou goed kunnen dat de vijand een aanval overweegt tijdens Kerst of Nieuwjaar. Extra waakzaamheid zal in acht worden genomen.” Met Kerstmis 1914 waren er al een miljoen soldaten dood. Het front liep van het strand van Vlaanderen tot aan de Frans-Zwitserse grens, meer dan 750 kilometer lang. Iedere dag werd een generatie jonge mannen verder uitgedund, en dat voor hoogstens een paar hectare terreinwinst. Wat een heldhaftige strijd had moeten worden, werd een zinloze slachting. Toch was er in die wanhopige jaren, toen in heel Europa de lampen uitgingen, ook een klein, maar schitterend lichtpunt. Met dit verhaal over dat lichtpunt eindigt Rutger Bregmans veel gelezen boek, De meeste mensen deugen: ‘Rond zeven, misschien acht uur, knippert Albert Moren van het 2nd Queens Regiment, nog een keer met zijn ogen. Wat is dat aan de overkant? Een voor een gaan de lichtjes aan. Hij ziet lantaarns, fakkels en … kerstbomen? Dan hoort hij het: “Stille nacht, heilige nacht”. Niet eerder heeft het lied hem zo mooi in de oren geklonken. “Ik zal het nooit vergeten”, zal Moren later zeggen. Natuurlijk kunnen de Britten niet achter blijven en dus zetten ze “The first Noel” in. De Duitsers applaudisseren en antwoorden met “O Tannenbaum”. Zo gaat het een tijd door, totdat de vijanden samen “Komt allen tezamen” in het Latijn zingen. Twee vijandelijke naties die hetzelfde Kerstlied zingen, midden in de oorlog. Een Schots regiment, iets ten noorden van het Belgische dorpje Ploegsteert, gaat nog een stap verder. Korporaal John Ferguson hoort iemand roepen vanuit de vijandelijke loopgraven – of ze misschien tabak willen. “Kom naar het licht!” roept een Duitser, waarna Ferguson het niemandsland betreedt. “Al snel stonden we te praten alsof we elkaar al jaren kenden”, zo zal hij later schrijven. “Daar waren we dan, lachend en kletsend met mannen die we een paar uur geleden nog probeerden te doden.” Cadeautjes worden uitgewisseld. Chocola, thee en puddings van de Britten, sigaren, zuurkool en schnaps van de Duitsers. Terwijl kameraden ter aarde worden besteld, kameraden die door de vijand zijn neergeschoten- zingen ze nu allemaal samen: The Lord is my Shepherd/ Der Herr ist mein Hirt. ’s Avonds wordt het ene na het andere feestmaal aangericht. Je zou het allemaal niet geloven, zo schrijft Bregman, ware het niet dat het bewijs overweldigend is. En hij concludeert: Als zelfs zij het konden, in het midden van een gruwelijke oorlog die al een miljoen soldaten het leven had gekost, wat belet ons dan om, in deze tijd, uit onze loopgraven te komen? Want ook wij worden uit elkaar gespeeld door demagogen en haatzaaiers? Haat wordt ook deze dagen onze samenleving weer ingepompt. En niet alleen via kranten, zoals destijds, maar nu ook via blogs en tweets, met leugens op sociale media en met giftige reacties onder nieuwsberichten. Zelfs de beste factchecker lijkt machteloos tegenover de rancune die op sommige dagen over ons heen spoelt. Maar wat als we al deze middelen nu eens zouden inzetten voor saamhorigheid? Bregman gelooft dat het kan. Nu wij nog. Hoe mooi is het om vanavond daar eens een poging toe te wagen. Je kunt je geen beter moment voorstellen, zo leert dus ook onze geschiedenis. Het Kerstverhaal nodigt ons in elk geval uit om onze loopgraven te verlaten en op te gaan naar een licht dat elk mens wil verlichten.   Deel II  En het geschiedde in die dagen, dat er een gebod uitging van de keizer Augustus, dat heel de wereld moest worden ingeschreven.
  1. Deze eerste inschrijving geschiedde,
toen Quirinius stadhouder was over Syrië.
  1. En zij gingen allen om te worden ingeschreven,
een ieder naar zijn eigen stad.
  1. Ook Jozef ging op
van Galilea uit de stad Nazaret, naar Judea naar de stad van David, die Bethlehem genoemd wordt,
  • omdat hij uit het huis en geslacht van David was –
  1. om te worden ingeschreven
met Maria zijn ondertrouwde vrouw, die zwanger was.   Het aloude Kerstevangelie gaat niet over wat er heel lang geleden zou zijn gebeurd, maar vertelt een verhaal dat iets wil zeggen. Dat ons vanavond iets wil leren. In dit verhaal gaat het over twee manieren van leven. Aan de ene kant zien we de grote keizer Augustus staan met de stadhouder Quirinius aan zijn rechterhand. Het gaat over een als een god vereerde Keizer die wil weten hoe machtig hij nu eigenlijk is. En om dat te kunnen bepalen wil hij gaan tellen. Heel precies wil hij weten hoeveel onderdanen hij heeft. En daartoe moet iedereen naar zijn eigen stad. Met andere woorden: heel de wereld moet meegaan in de obsessie van de Keizer. Iedereen is in de ban van een man die zich als een god waant. En daarmee schetst de verteller het spierballenleven in een notendop. Het is het leven dat wij allemaal van binnenuit kennen. Het begint immers al op de basisschool. Ben je een zonnetje, een maantje of slechts een sterretje? En we zeggen natuurlijk allemaal heel braaf dat dit niets uitmaakt, maar ondertussen. Dat ouders naar de rechter gaan om het schooladvies van hun kind aan te vechten is geen uitzondering meer. En zo wordt vaak de toon van onze levens gezet. Is het niet door onze opvoeding dan wel door onze omgeving en de trends die ons worden opgedrongen. Het is het leven waarin met man en macht wordt gestreefd om erbij te horen. Om erkend te worden. Het is het stoere leven dat geen aarzelingen, mislukkingen en onzekerheid duldt. Waar elk verdriet wordt weggemoffeld achter dikke voordeuren. Een leven dat alleen wil uitstralen dat het goed gaat en leuk is. Alles wordt als het even kan gepost op sociale media. Vrolijke dinertjes, uitzinnige vakanties en natuurlijk al die geweldige dingen waar je leven vol van is. Dat spierballenbestaan van Augustus dat kennen we allemaal. Verslaafd als we zijn aan de lijstjes. Ook deze tijd van het jaar weer. Ik zag Kim Putters, die ik overigens zeer waardeer, zijn champagnefles ontkurken bij het nieuws dat hij nu de meest invloedrijke Nederlander is. En ook Sander Schimmelpenninck krijgt regelmatig boze telefoontjes van mensen die zichzelf missen in het lijstje van de Quote 500. Als we aan elkaar vragen hoe gaat het, antwoorden we vaak met onze successen van werk en privé. Het is bijna niet te doen om op die vraag ‘nee!’ te antwoorden, zo vertrouwde onlangs mij nog iemand toe die net zijn vrouw had verloren. Want in dat spierballenleven is natuurlijk nauwelijks ruimte om te rouwen, om eens stevig ongelukkig te zijn en wanhopig. Als we dat zijn, dan heeft de huisarts zijn recept voor een antidepressivum alweer geschreven.  Immers: elke kreukel moet worden weggemedicaliseerd, zo schrijft psychiater Dirk de Wachter in zijn boek ‘De kunst van het ongelukkig zijn’. Dat spierballenleven, zo schrijft hij, heeft een geweldige keerzijde. “Mijn praktijk zit vol met succesvolle mensen die voor twee hebben geleefd in de overtuiging dat je alles uit je bestaan moet halen. Ze zitten tegenover me en kunnen niet meer. Ze barsten vaak in tranen uit.” Dat eindeloze streven naar succes en autonomie put vandaag de dag heel veel mensen uit. Eén op de vijf eerstejaars studenten in het hoger onderwijs kampt met depressieve klachten. De prestatiedruk maakt vaak eenzaam. We delen onze ongelukkigheden niet meer met elkaar. We laten enkel onze spierballen zien en komen er dan telkens weer achter dat de spierballen van die ander groter zijn. Maar tegenover die grote keizer heeft de verteller van het Kerstverhaal het ook nog over twee mensen. Zomaar. Twee onbeduidende mensen die in de vaart der volkeren mee moeten. Een hoogzwangere vrouw die samen met haar man op weg moet omdat de Keizer wil weten hoe machtig hij is. Het is het leven dat we ook allemaal zoals we hier zitten, leven. Dat hele gewone leven met zijn hebbelijkheden en vooral ook onhebbelijkheden. Die chagrijnige maandagochtend na een weekend vol sociale evenementen. Op een dag dat het regent en dat je moe bent en het liefst in bed zou blijven. Dat leven waar we niet graag mee naar buiten komen. Dat je tegen de veertig loopt en denkt: is dit het nu? Is dit dat veelbelovende leven waar ik van heb gedroomd? Het is het leven dat veel dichter bij ons staat dan dat spierballenbestaan van ons. Het leven met zijn geworstel. Zit ik nog wel in het goede huwelijk? Na die eerste jaren wordt de hartstocht immers minder. En moet je aan het werk. En heb ik wel de baan die bij me past of voldoe ik alleen maar aan wat van mij wordt verwacht door mijn omgeving? Waarmee ik op feestjes en partijen tevoorschijn kan komen? Het is het leven achter onze voordeuren. Waar eigenlijk zo weinig ruimte voor is. Terwijl dat wel het leven is dat we leiden. Allemaal. Daar gaan ze: Jozef en Maria. Op een ezel, zo spelen we dat hier in de kerk altijd uit met de kinderen. Gaat lekker langzaam. Veel te traag naar onze zin. Ze doen er eindeloos over. En als ze willen overnachten is er nergens meer plek. Geen ruimte voor dat kwetsbare leven. Hoe metaforisch. Allemaal in de ban van een Keizer die zijn macht wil wegen, lopen zij verdwaald in de nacht naar een plek waar ze even schuilen kunnen. Er is immers wel een kind op komst.   DEEL III
  1. En het geschiedde toen zij daar waren
dat de dagen vervuld werden dat zij baren zou
  1. en zij baarde haar eerstgeboren zoon
wond hem in doeken en legde hem neer in de kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg.   Ossip Zadkine maakte naar aanleiding van het bombardement op Rotterdam dat onvergetelijke beeld dat taal moest geven aan de verwoeste stad. U ziet het op de voorzijde van uw programma. Het werd op 15 mei 1953 geschonken aan Rotterdam door De Bijenkorf. We zien die aangrijpende figuur met zijn handen in de lucht. De contouren van wat ooit een stad was vol mensen die met elkaar samenleefden, zijn het enige dat rest. Maar het hart is eruit. Het leven is eruit. Zadkine laat een wereld zien die te gronde gaat aan de keizers van vandaag. En daarmee symboliseert dit beeld voor mij een samenleving waarin alleen nog maar de spierballen tellen. Het harde leven van mensen die niet elkaars medemensen zijn maar alleen maar elkaars concurrenten of rivalen die elkaar eindeloos zwart maken, in hokjes stoppen en demoniseren. Mensen die ten diepste bang zijn voor elkaar. Omdat die ander anders is dan wij zijn. Een andere mening heeft, een andere achtergrond, een ander jasje. We zien het deze dagen net iets te veel. Het debat wordt steeds harder, de omgangsvormen ontmenselijken en het besef dat we een samenleving toch echt met elkaar moeten maken, lijkt te verdampen. En daarmee kan een samenleving zomaar worden tot een schreeuwend mens die zijn hart heeft verloren. Dat is waar het volgens mij ook in dat aloude Kerstverhaal over gaat. Tegenover die wereld vol keizers zet Lukas een kind. Te midden van die spierballensamenleving, gevangen in de machtsobsessie van Keizer Augustus, wordt zomaar een kind geboren. Een kind waarvoor in deze wereld geen plaats is. Een ‘Utopie’. En toch wordt zomaar in het midden van de nacht dit kwetsbare kind in ons midden gelegd als een geschenk. Als een in ons ogen onmogelijk teken van boven. Net als die lampjes die boven de loopgraven uitstaken. We zouden kunnen zeggen: In dat lege hart van Zadkines beeld wordt een kind geboren. In het gat van Jan Gat, zoals dit beeld in de volksmond heet. Een kind zoals we dat allemaal geweest zijn. Een hulpeloos, totaal afhankelijk wezentje dat schreeuwt om liefde en om wat te eten. Het is de mens teruggebracht tot zijn kern. Want we zijn het nog steeds: dat kind. Wie meent dat hij zijn kind-zijn is ontstegen moet er maar weer snel naar op zoek. Dat kind dat wordt geboren in Bethlehem, in de stad van het leven. En dat kind houdt ons vanavond een spiegel voor. We worden allemaal een voor een uitgenodigd om in die spiegel te kijken en op zoek te gaan naar dat kind in ons. Dat kind dat snakt naar een beetje liefde en erkenning. Dat kind dat ons leert dat die ander naast jou of tegenover jou, dat die ander net zoveel behoefte heeft aan liefde en erkenning als jij. Ook als die misschien een ander kleurtje heeft of een hoofddoek om, homo is of wat dan ook. Die ander die wij soms willen bestrijden is net zo’n mensje als jij bent. En het mooie van dat kind van Bethlehem is dat van hem wordt gezegd dat hij een koningskind is. Dat hij uiteindelijk aan het langste eind zal trekken. Nee, van die spierballenkeizer horen wij in het verhaal van Lukas niets meer. Die is te kijk gezet door een kwetsbaar kind in de kribbe.   Slot
  1. Daar waren herders in diezelfde landstreek
die in het veld verbleven en de wacht hielden over hun kudde.
  1. En een engel van de Heer stond bij hen
en de heerlijkheid van de Heer omstraalde hen en zij vreesden met grote vreze.
  1. De engel zei tot hen:
Vreest niet, want zie! ik verkondig jullie grote blijdschap, die heel het volk ten deel zal vallen,
  1. dat jullie heden geboren is de Redder,
Christus de Heer, in de stad van David.
  1. En dit is voor jullie het teken:
je zult een kind vinden in doeken gewonden liggend in een kribbe.
  1. En plotseling was daar met de engel
de menigte van de hemelse legermacht, zij prezen God en zeiden: 14.Eer in de hoge aan God en op de aarde vrede voor de mensen van zijn welbehagen. En het geschiedde, toen de engelen van hen weggegaan waren naar de hemel, dat de herders tot elkaar zeiden: Laten wij dan heengaan naar Bethlehem en laten wij zien dit Woord dat geschied is, dat de Heer ons heeft bekend gemaakt.
  1. En zij kwamen met haast
en vonden Maria en Jozef en het kind liggend in de kribbe.  
  1. En toen zij het gezien hadden
maakten zij bekend het woord dat aan hen over dit kind was gezegd.
  1. En allen die het hoorden
verwonderden zich over wat hun werd gezegd door de herders;
  1. maar Maria bewaarde al deze woorden
en overlegde die in haar hart.
  1. En de herders keerden terug
en verheerlijkten en prezen God over alles wat zij hadden gehoord en hadden gezien zoals tot hen was gezegd.   Waar komen wij voor in dit verhaal? Wie zijn wij? Nu, de verteller doet een suggestie. Misschien zijn wij wel de herders. Ze krijgen immers in hun nacht bezoek van een engel die hen wijst op dat kwetsbare kind. En de vraag is nu aan ons: welk leven prefereren we? Dat spierballenleven van de Keizer? Of dat kwetsbare leven van dat kind in de kribbe? Wat voor samenleving willen we? Een samenleving vol eenzame individuen die elkaars kwetsbaarheden niet durven delen? Of een samenleving waarin mensen zich aan elkaar durven te tonen? Want je krijgt wat je geeft. Als jij alleen maar je spierballen toont, krijg je spierballen terug. Maar wie zich kwetsbaar durft open te stellen krijgt een medemens tegenover zich. En om met Jules Deelder te spreken: ‘De omgeving van een mens is een medemens’. Veel meer is het niet. Ons leven zal blijven laveren tussen de spierballen en de kwetsbaarheid. Maar te midden daarvan wordt ons wel die kind geschonken. Een aloud verhaal dat al meer dan twintig eeuwen meegaat wordt ons deze nacht geschonken. Een kind dat ons aankijkt en zegt: Vrees niet! Je hoef niet bang te zijn! Schud je slavenjuk van je af en word een vrij mens. Ik neem je bij de hand. Die keizer daar, die trekt aan het kortste eind. Let maar op: de zachte krachten zullen winnen. Toen schrijver en dichter Karel Eykman na het bombardement van Rotterdam wat op de puinhopen aan ronddolen was, werd het volgende gedicht geboren. Een gedicht over die niet te verwoesten klaproos die is als die lichtjes uit de loopgraven op de Kerstavond van 1914.   De kleine Jesaja van Rotterdam,  Karel Eykman Voor wie het niet aan kan en het niet meer houdt voor wie bang is dat oorlog gaat gebeuren voor wie de wereld niet meer vertrouwt of wie zomaar ineens droevig zit te treuren. Luister naar mij, hoe ik met mijn hond op pad in de oorlog, toen ik nog klein was zwierf in een hopeloos verwoeste stad toen de puinzooi mijn speelterrein was. Het was een nare, rare, kaalgeslagen troep toen ik dacht dat niets meer ooit zou groeien ik dacht dat niets het ooit nog zou doen toen ik opeens die klaproos zag bloeien. Toen wist ik, eens komt er een einde aan aan dat gedonder van kannonen eens zal de woestenij in bloei weer staan eens geeft de oorlog zich gewonnen. Op ieder godgeklaagd terrein zullen toch klaprozen blijven komen. Dat blijft, dat zal altijd zo zijn dat wordt ons nevernooitniet afgenomen. Want tussen plastic en colablik zijn het de klaprozen die het niet laten te bloeien tot hun laatste snik in de barsten van de straten. Wees zelf een klaproos als je kan met alle weerbarstigheid je eigen daar word je moedig en vrijmoedig van en je bent niet klein te krijgen.