Column


Klaar voor het feest

Er is een feestje aangekondigd. Een mooi feest wordt het. Een feest waarop wordt gevierd wat het allerbelangrijkste is in een mensenleven: de liefde. Een feest van ‘je geliefd weten en liefhebben’. Tien meisjes gaan op pad met olielampjes. Want om dat feestje te kunnen vieren moet je wel licht bij je hebben. Licht om alle duisternis te verdrijven zodat je ten volle het feest kunt vieren. Vijf van de tien meisjes zijn er helemaal klaar voor. Zij hebben niet alleen hun olielampjes bij zich, maar ook nog wat extra olie. Ze verheugen zich al weken op komen gaat en hebben alles goed voorbereid. Voor de andere vijf meisjes is dit feestje een van de vele dingen op hun to-do-lijstjes. Een ‘moetje’. Leuk, maar te midden van al die andere verplichtingen een nauwelijks te onderscheiden agendapunt. Ze pakken nog snel even hun lampjes want ze willen natuurlijk wel voldoen aan de verwachtingen. Maar voordat het feestje begint, moeten ze wachten tot diep in de nacht. Het duurt en duurt. Voor de meisjes met de extra olie is dit wachten een reikhalzend verwachten. De andere vijf vinden het vooral zonde van hun tijd. Wat hadden ze allemaal in die verloren uren kunnen doen? En dan, als eindelijk het feestje begint, doven hun lampjes langzaam uit. Geen olie meer. Alle reserves zijn op. Wat rest is een koude, uitgebluste nacht.

Een oude parabel is het. Maar hoe actueel. De olie staat voor de zin in het leven. In de dingen die je inspireren en energie geven. De zin in de dingen die echt belangrijk zijn. In een leven waarin het moment ten onder gaat in een veelheid aan dingen die zogenaamd moeten, loopt die zin langzaam weg. De Britse Arbeidspsycholoog Tony Crabbe zei laatst in een interview dat als je door drukte maar vaak genoeg iets opzij schuift dat echt belangrijk voor je is, er dan een gevoel van leegte ontstaat die met nog meer loze drukte wordt gevuld. Ik denk dat hij gelijk heeft. Het wordt tijd om goede olie te vinden om ons licht brandend te houden. Afstand nemen, een goed boek lezen, een keer naar theater, concert of de kerk gaan. Je laten verrassen. Of even nietsdoen. Om vervolgens vanuit de ontstane afstand tot onze agenda te kunnen onderscheiden wat echt belangrijk is en wat niet.

Ad van Nieuwpoort

 

 

Is Jezus onhistorisch?

AdVanNieuwpoort-portret-w320Is de onhistorische Jezus niet precies dezelfde als de historische Jezus? De afgelopen weken werden de kolommen van het dagblad Trouw rijkelijk gevuld met discussies over de zogenaamde historische Jezus. Dit alles naar aanleiding van een interview met collega Van der Kaaij dat in deze zelfde krant verscheen onder de kop ‘Jezus heeft nooit bestaan’. 

Dat dit interview vele emotionele reacties op zou roepen was te voorspellen. Het raakt aan een kwestie die al enige eeuwen de gemoederen in de kerk hevig bezighoudt. Wat is dat toch?

Ik ga hier maar even voorbij aan wat Van der Kaaij allemaal meent te hebben ontdekt. Zijn idee dat alle elementen van het verhaal van Jezus hun oorsprong zouden vinden in Egyptische mythen getuigt m.i. eerlijk gezegd van slechte exegese. Publicaties vanuit de zogenaamde Amsterdamse School, waaraan hij refereert, hebben dit ook nooit beweerd. Maar goed, hierover is genoeg gezegd en geschreven.

Wat mij vooral intrigeert is de heftigheid van reacties in de zin van: ‘als het in Jezus niet gaat om een historische figuur, dan is mijn geloof op zand gebouwd’. Blijkbaar is het beslissende van dit geloof dus niet Jezus zelf maar zijn historiciteit. Dit geldt in zelfde mate voor de verdedigers van de onhistorische Jezus. Maar wat bedoelen we nu precies met ‘historisch’? En een nog belangrijker vraag: is dat nu waar het in het evangelie om gaat? Is het de evangelisten te doen om een zo historisch betrouwbaar mogelijk beeld te schetsen van Jezus, of gaat het juist ergens anders over?

Het bijzondere van de vier evangeliën is dat elk evangelie zijn eigen verhaal vertelt. Niet met de bedoeling om te komen tot een historisch betrouwbare biografie, maar om een verhaal te vertellen dat de lezer op de hoogte brengt van het geheim van de God van Abraham, Izaak en Jakob. ‘Hij legt hem uit’ zegt de evangelist Johannes in zijn proloog.
Hier gaat het om een zaak die op geen enkele manier is in te passen in de manier waarop wij over (on)historiciteit denken. Jezus onttrekt zich aan onze categorieën van waar of niet waar. Dat is overigens ook een belangrijk thema in het evangelie zelf. Als bijvoorbeeld in het evangelie naar Lucas Jezus samen zit met de Emmausgangers, is hij verdwenen op het moment dat zij hem herkennen.

Om dit te kunnen begrijpen moet je, zoals Jezus tegen Nicodemus zegt, ‘van boven af’, opnieuw, geboren worden. Al die verhalen over Jezus staan vol met gebeurtenissen die niet kunnen. Zaken die je uiteindelijk nooit compatible kunt maken met de categorieën waarin wij denken en leven. Dat is nu juist het bijzondere van de bijbel en van Jezus. Hij opent ons een vreemde wereld waarin zaken aan het licht komen die wij nergens anders kunnen vinden. Een vreemd verhaal is en blijft het. En als wij van Jezus een aannemelijk verhaaltje willen maken, zal het ons godzijdank ontglippen.

Dit verhaal is nog het meest verwant met goede poëzie: het brengt onder woorden wat eigenlijk niet onder woorden te brengen is. Jezus is van een andere orde dan onze categorieën van ‘historisch’ of ‘onhistorisch’. Jezus is telkens anders dan wij denken.
Wil de kerk toekomst hebben zal zij haar oor te luisteren moeten leggen bij deze onmogelijke mogelijkheid en niet bij een (on)historische Jezus. Het zal haar verder helpen dan de uitkomsten van een wanhopige enquête onder haar leden.

Ad van Nieuwpoort

Kwaliteit en diepgang gevraagd

AdVanNieuwpoort-portret-w320

Nog niet zo lang geleden schreef Anna Enquist in het Dagblad Trouw over de toenemende hang naar oppervlakkigheid die vandaag op vele fronten te bespeuren is. In ons digitale leven worden wij overspoeld met informatie en daardoor gedwongen om oppervlakkige generalisten te worden.

Ook de Italiaanse filosoof  Floridi beschrijft dit overtuigend. Volgens hem is ons brein nu al zo gevormd door de ‘twittercultuur‘ dat wij nauwelijks meer in staat blijken een behoorlijke zin in goede literatuur van het begin tot het einde toe geconcentreerd te lezen. Floridi betrapt zich er zelf op dat hij hoppend door de zinnen van Herman Hesse gaat en de concentratie niet meer op kan brengen om zijn teksten rustig te lezen. Dit heeft niet alleen een grote oppervlakkigheid tot gevolg, maar ook een continue staat van vermoeidheid, zo schrijft de mediatheoreticus Han in zijn essay De vermoeide samenleving.

Dat vluchtige, digitale leven van ons eist met andere woorden zijn tol. We zijn beducht geworden voor diepgang, misschien wel uit vrees voor wat reflectie allemaal in ons naar boven zou kunnen halen. Dat we op de stille momenten meteen naar onze telefoon grijpen is hier misschien wel een teken van. We zoeken de voortdurende afleiding om maar niet geconfronteerd te worden met onze eigen leegte, onze kwetsbaarheid en onze vragen.

Dit doet niet alleen wat met ons brein, maar ook met onze mentaliteit. Belangrijke beslissingen nemen we in versneld tempo vanwege een innerlijke druk. Je merkt dat aan de kwaliteit van onze huidige politiek die zich vooral door de waan van de dag laat leiden. Maar wat dacht u van de redacties van kranten en nieuwsprogramma’s? Wie verklaart waarom die gruwelijke aanslag op de Universiteit van Garissa in Kenia op pagina drie van mijn krant belandde, in schril contrast met de berichtgeving over de aanslagen in Parijs? Wat gaat in de hoofden van zo’n redactie om? Wat is bepalend voor zo’n beslissing? Is dat misschien ook dat vluchtige brein dat louter op de belangstelling van de meerderheid gokt?

Wat doen wij als eeuwenoude kerk hiermee? Welke rol zouden wij in dit tijdsgewricht kunnen spelen? Of zijn wij alleen maar bezig om bij dit levensgevoel aan te sluiten? Om de boot maar niet te missen? Een ‘bijbel in gewone taal’ voor de man in de straat die niet meer zou  kunnen lezen? Een Passion-event om een miljoenenpubliek mee te kunnen scoren? Is dat wat we doen?

Alleen al de mindfulnesscentra die als paddenstoelen uit de grond schieten, geven er blijk van dat er eerder een behoefte is aan plaatsen die zich niet laten domineren door de waan van de dag. Ik merk dat zelf in ons dorp:  hoezeer dat kerkje uit 1636 juist daardoor een geheel nieuwe aantrekkingskracht krijgt. Een huis dat erop wijst dat er vóór ons ook al mensen op zoek waren naar zin en bezield verband.

De gastenverblijven van kloosters kunnen de aanloop nauwelijks aan. Er is juist in deze gestreste tijd geen behoefte om op zondag weer naar zo’n beamerscherm te kijken, maar eerder om gewoon weer eens even te leren stil te zijn. Bij de hand te worden genomen om te leren luisteren naar goede, kwalitatieve teksten die appelleren aan een ander leven dan dat leven waar we zo ongelofelijk moe van worden met z’n allen. In tegenstelling tot de marketingstrategieën moet de kerk niet eindeloos willen afdalen naar de tot consument gemaakte mens, maar zou zij op gezag van haar Herder eerder mensen weer op hun benen moeten durven zetten. Opdat ze het weer gaan wagen met de woorden die je wegtrekken bij de oppervlakte, om je te brengen in een wereld waarin menselijkheid de maatstaf is.

Ad van Nieuwpoort

 

 

 

 

 

Niet bij nut alleen…

Ad 02‘Het schrikbeeld voor Nederland bestaat uit mensen die slechts leven voor economische waarde, die elke empathie hebben verloren, alleen geïnteresseerd zijn in het eigen verhaal en die louter willen denken in cijfers en getallen, in het uitgekiende besef dat je getallen kunt ontslaan zonder dat het pijn doet.’

Deze hartenkreet slaakte onlangs Ramsey Nasr in NRC-Handelsblad. Hij deed dat in een ferm pleidooi voor de onmisbare betekenis van kunst, klassieke talen, geschiedenis en filosofie. Zaken die in het zogenaamde rendementsdenken niet bepaald hoog scoren, omdat hun nut niet direct meetbaar is.

Romans en gedichten tonen ons, aldus Nasr, evenals film, theater, opera, ballet, muziek en beeldende kunst een wereld die alleen via onze verbeelding kan worden opgeroepen. Ze reiken ons een parallelle wereld aan, met fictieve mensen, en met een taal die niet langer functioneert zoals we dat gewend zijn, met nieuwe klanken, nieuwe beelden. Nasr noemt het de ultieme en broodnodige relativering van onze wereld van nut en rendement.

Nasr is net als ik geschrokken van de vele cynische reacties die te lezen waren op een nieuwssite naar aanleiding van het bericht over 700 verdronken bootvluchtelingen. Reacties in de zin van ‘Dat scheelt weer 700 uitkeringen maal 50 jaar’. Zijn dat misschien de effecten van een ver doorgevoerd rendementsdenken? Ik weet het niet. Het zou zomaar kunnen. Het geeft in elk geval wel te denken.

Als het rendementsdenken het enige is dat nog telt in onze wereld dan betekent dat het einde van elke vorm van menselijkheid. En we merken aan een steeds grotere onderstroom in onze samenleving dat het niet meer werkt. Er staat een jonge, intelligente generatie op die genoeg heeft van dat ‘nutsdenken’ en op zoek is naar alternatieven.

En mijn vraag zou zijn: wat doet de kerk daarmee? Is de kerk niet bij uitstek de plaats waar de verbeelding hoog zou moeten worden gehouden? Ik moet denken aan dat prachtige Pinksterverhaal van Lukas. Zomaar ineens vanuit de hemel een ademtocht die mensen een nieuwe taal doet spreken.

Taal van hoop en bevrijding. In de ‘tale Kanaäns’ gaat het ineens over een God die afdaalt om zijn mensen op hun benen te zetten. Niet zomaar compatible te maken met onze taal en onze woorden. Een verhaal dat anders is en vreemd aan de waan van de dag maar tegelijk wel verstaanbaar voor wie dan ook. Ik moet denken aan dat mooie verhaal over Davidje, de schaapherder die tegenover de depressieve koning Saul zit en op zijn harp speelt. In die ‘Saulwerkelijkheid’ van rendementsdenken wordt ons iemand anders geschonken. Een teken, een nieuw perspectief. Een ander geluid. Noem het een kritisch tegenover. Iemand. Een stem.

Een verhaal dat ons weer van voren af aan leert wat menselijkheid is. Een levend woord dat verademing van geest geeft. Meer dan cijfers berekenen kunnen. Broodnodige verbeelding, zou ik zeggen. Tegengif tegen cynisme. Onze tijd is er meer dan rijp voor. Gelukkig gaat elke zondag dat aloude boek weer open dat ons doet ontdekken dat een mens niet leeft bij nut alleen.

Ad van Nieuwpoort

Jezus in de kerk

Ad 02

Rond de Kerst zat zomaar Jezus bij ons in de kerk. Zo te zien een keurige PKN gemeente met een dominee in een verantwoord liturgisch gewaad. Jezus leek zomaar met de liedjes uit ons nieuwe liedboek mee te zingen en werd vriendelijk door de dominee welkom geheten. Een beetje een bedaarde Jezus was het. Hoewel zijn uiterlijk vooral aan de hippe Jesus Christ Superstar deed denken, leek hij zich met de jaren steeds meer te hebben aangepast aan onze manier van doen. Je kunt hem zomaar overal tegenkomen. Zelfs bij de Albert Heijn.

Aan die door onze kerk georganiseerde commercial van alweer even geleden moest ik denken bij de tekst uit Lukas 4 over het optreden van Jezus in de synagoge van Nazaret. In dat verhaal leest Jezus uit de boekrol van Jesaja over ‘het welkome jaar van de Heer’. Een bericht van bevrijding voor armen, verdrukten en blinden. Jezus doet de schriftlezing.

Tot zover niets aan de hand, zo lijkt het. En ook de paar woorden die hij aan de schriftlezing toevoegt bevatten op het eerste gezicht nauwelijks iets schokkends. ‘Heden is deze schrift in uw oren vervuld.’ Mooi gezegd. Kan zo voorop de Kerkinformatie. Geen enkel probleem. En de synagoge is zeer content. Dominee Jezus heeft uitstekend gepreekt. Hij kan het zo mooi zeggen. Zo actueel ook. Precies waar we op zitten te wachten. En leuk te weten dat hij ook bij ons vandaan komt. Hij is er eentje van ons. ‘Zoon van Jozef’. Sommigen kennen hem nog van de kleuterschool. Anderen hebben nog op hem gepast. Leuk is dat: die beroemde Jezus in eigen kring. Hij is er een van ons. Iemand om trots op te zijn. Onze identiteit. Onze normen en waarden. ‘Onze God is de beste’, zongen ooit de positivoos, ‘onze God is kampioen. En daarom zijn wij in het westen relatief in goede doen.’ Onze God. Of om het Remonstrants te zeggen: Mijn God. Nog beter. Mijn God is een stuk beter dan jouw God. Hij is net zo tolerant als wij zijn. Hij laat vrouwen voorgaan en trouwt homo’s. We kunnen het op alle stations lezen.

Maar dan gaat het mis. De stemming slaat om. En wel totaal. En waarom? Omdat Jezus dit precies voorvoelt. Hij wordt hier gezien als het verlengstuk van zijn hoorders. Als de legitimatie van hun bestaan. Hij wordt hier voor het karretje van het eigen gelijk gespannen. En dat weigert hij. En daarom diept hij uit het profetenboek twee verhalen op die precies dat zeggen waar heel Tenach voortdurend over gaat. Elia is niet in de eerste plaats gekomen voor het eigen volk. Nee, hij gaat als eerste naar degene die totaal buiten de eigen kring staat: naar een weduwvrouw in Sidonië. Iemand die geen idee heeft wie of wat of hoe die God van Abraham, Izaak en Jakob is. Daar gaat al zijn aandacht naar uit. En dat geldt ook voor Elisa. Hij gaat voorbij aan al de melaatsen in het eigen volk maar prefereert de rijke Syriër om die kopje onder te laten gaan in de Jordaan.

En dat pikken we niet. We willen Jezus in onze kerkbanken zien. Hij moet vooral onze liederen zingen. En het met ons eens zijn. Anders willen we hem niet. En in het verhaal wordt Jezus de synagoge uitgeschopt. Met groot geweld willen ze hem de stad uitzetten en van de berg naar beneden storten. We willen een Jezus die op ons lijkt. En we kunnen het niet hebben dat hij ons kritisch tegenover is. We scheppen hem naar ons beeld en onze gelijkenis. Maar het bijzondere van de Jezus van het evangelie is dat hij anders is. Dat hij ons iets zegt wat wij nog niet wisten. En ons zicht geeft op iets waar wij geen idee van hebben. Alleen zo opent zich een nieuw perspectief. En daarom vervolgt hij ook zijn weg. Ons ten goede. Of wij het nu willen geloven of niet.

Ad van Nieuwpoort

 

 

Jona als bindmiddel

Jona als bindmiddel – Ad van Nieuwpoort

Ad 02

De veelkleurigheid binnen de Protestantse Kerk wordt nogal eens als een probleem gezien.
Na de fusie moesten de neuzen natuurlijk vooral in één richting worden gezet. Uit angst voor polarisatie werden vaak fundamentele discussies zorgvuldig omzeild. In een bepaald opzicht natuurlijk wel begrijpelijk: we wilden immers samen verder. Maar daardoor is er misschien ook wel iets verloren gegaan. Erkenning van elkaars verschillen hoeft namelijk niet altijd te betekenen dat mensen verder van elkaar komen te staan, maar zou ook nog wel eens de aanleiding kunnen zijn om te zoeken naar mogelijkheden van nieuwe verbinding en een nieuw verstaan.
Ik mocht daar onlangs op een verrassende manier getuige van zijn. In een plaatselijke gemeente, ergens in den lande, was het initiatief genomen om met een tweetal heel verschillende groepen samen aan tafel te gaan. In de praktijk van het kerkelijke leven kwamen zij elkaar slechts tegen rondom een wat verkilde vergadertafel. De ene groep meer behorend tot wat men vroeger de ‘midden-orthodoxie’ en ‘vrijzinnigheid’ noemde, de andere groep uit de stevige kant van wat men nog steeds de Gereformeerde Bond noemt. Beide groepen met tal van beelden en misschien ook wel oordelen over en weer. Ze hadden mij gevraagd om twee avonden te leiden die in het teken zouden moeten staan van het ‘samen lezen van bijbelse teksten’.
Hoe verschillend ook: we komen toch zondag aan zondag samen rondom dezelfde geopende Schrift, zo was de gedachte. Ik vond het meteen een prachtig initiatief.
De eerste avond begon wel wat spanningsvol. Aan de ene kant van de tafel zat de ene groep en aan de andere kant de andere groep. In ons kennismakingsrondje werden de verschillen direct duidelijk. Op mijn vraag wat men met de bijbel had kwam uit de ene groep vooral veel verlegenheid boven, terwijl vanuit de andere groep de meer vanzelfsprekende overtuiging werd gearticuleerd.

We gingen lezen. Ik koos voor het boekje Jona in een betrouwbare nieuwe vertaling dicht bij de Hebreeuwse grondtekst. Uitgangspunt voor het gesprek was niet zozeer om onze eigen standpunten over ‘God’, ‘geloof’ of ‘religie’ uit wisselen, maar samen op zoek te gaan naar de betekenis van dit boekje voor ons nu deze avond. Maar voordat je aan die vraag toekomt zul je eerst goed moeten lezen. Vingertje bij de tekst en woordje voor woordje zoeken naar wat daar gezegd wil worden. Of Jona in een vis kan zitten wordt dan meteen een irrelevante vraag. Het gaat om de woorden en wat die woorden ons willen zeggen. Inhoud komt nu eenmaal in de bijbel niet zonder de vorm, zonder de wijze waarop het verhaal verteld wordt. We gingen met elkaar van verrassing tot verrassing. Het werd een spannende zoektocht. Wat ons verbond was de tekst vol met zijn rijke betekenisvolle aanwijzingen. We hadden deze avond allemaal het gevoel van onze plaats te komen doordat het boekje Jona ons in een kritische spiegel liet kijken van ons soms wat geharnaste geloof of juist van onze gestolde aarzeling. We kwamen er allemaal even een beetje los van en werden in een ander perspectief gezet. Waar maakt die Jona zich nu eigenlijk zo druk over? Waarom wil hij zich zo graag onderscheiden van Ninevé? Is het omdat hij zijn identiteit vooral bevestigd wil zien in het onderscheid met die ander? Wat aan het licht kwam is de onvrijheid van onze beelden en oordelen en vooral de vrijheid van die God die zo anders is dan de goden der religie.

We werden er allemaal even heel vrolijk van. Onze gewichtige verlegenheid, onze ernstige religie en onze soms zo gesloten geloofsbeleving werd voor een moment opengebroken en in een bevrijdend perspectief geplaatst. En dat kwam doordat die derde gesprekspartner aan het woord kwam en ons van ons eilandje afhaalde. Ondanks onze veelkleurigheid was het Jona die ons aan elkaar verbond. Misschien zouden we dat eens wat vaker moeten doen: terug naar de bron om zo weer met elkaar in gesprek te kunnen komen.